![]() |
|||||||||||
De Schelde spoorkraan 38 (gebouwd in 1945) |
|||||||||||
Info over de spoorkraan: |
|||||||||||
Tijdens de Tweede Wereldoorlog besloot de Koninklijke Maatschappij De Schelde in Vlissingen rond 1944 twee zelfrijdende spoorhijskranen te bouwen. Vanwege de zware bombardementen die Vlissingen heeft gehad, werd de keuze gemaakt om de kranen zelf te ontwerpen en te bouwen. Ingenieur Mulock Houwer, later directeur van De Schelde, kreeg de opdracht om beide kranen te bouwen. Hoewel dieselmotoren al lange tijd in gebruik zijn in Nederland, werd vanwege de schaarste en de kennis die de scheepswerf heeft met stoommachines besloten om de twee kranen met stoom aan te drijven. De kranen hadden een gewicht van ruim 30 ton, waren 5,5 meter hoog, 3,5 meter breed en dertien meter lang. De stoomketel werd verticaal in de kraan geplaatst. De kranen hadden een hijsvermogen van zeven ton. De stoomkranen hadden een maximumsnelheid van 6 km/u. De kranen kregen de nummers 38 en 39. Beide stoomkranen werden geel geschilderd en het dak en onderstel werden donkergrijs geschilderd. De zusterkranen werden eind 1945 opgeleverd. Al direct werden de kranen ingezet bij herstelwerkzaamheden van schade op de scheepswerf die tijdens de oorlog waren ontstaan. Hierna werden beide kranen ingezet op het staalplaten-opslagpark bij de voormalige Marinehaven op de werf. Hier loste de 38 en 39 staalplaten van binnenvaartschepen op 't Eiland. De zusterkranen waren zeer betrouwbaar en hebben in hun werkzame leven nooit grote storingen gehad. De kranen waren op kolen gestookt. Dit werd later aangepast, zodat beide kranen op olie gestookt konden worden. In totaal deden bij De Schelde elf stoomkranen dienst en twee stoomlocomotieven. Van deze dertien stoommachines waren beide zusterkranen 38 en 39 in 1974 nog als enige in dienst. In de jaren '70 kreeg de Koninklijke Maatschappij De Schelde de opdracht om fregatten te bouwen voor de Nederlandse Marine. Voor de bouw van deze oorlogsschepen werden op de plek van het staalplaten-opslagpark nieuwe overdekte dokloodsen gebouwd. Deze nieuwe opslaglocatie voor de staalplaten was per spoor onbereikbaar. Hierdoor werden de nog op stoom werkende zusterkranen 38 en 39 terzijde gesteld. Het bedrijf kocht nieuwe mobiele kranen die over het hele bedrijventerrein konden rijden. De Schelde wilde beide spoorkranen laten afvoeren. Gelukkig pleitte bedrijfsarts Jan Stumphius (bekend van zijn ontdekking bij De Schelde dat asbest kankerverwekkend is) voor het behoud van de 38 en 39. Uiteindelijk besloot de Koninklijke Maatschappij De Schelde vanwege hun 100-jarig bestaan in 1975 beide spoorkranen te doneren aan museumstichtingen in Nederland. De 38 bleef in Zeeland en werd opgenomen in de collectie van de Stoomtrein Goes - Borsele (SGB). De 39 kreeg een onderkomen bij de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik (SHM) in Noord-Holland en werd per schip daar naartoe gebracht. De 38 kwam op 14 februari 1975 per vrachtwagen aan bij de SGB in Goes. Bij de SGB heeft de 38 enkele jaren dienst gedaan tot dat dit vanwege de technische staat van de stoomkraan niet meer mogelijk was. In Goes werd besloten om de 38 niet te restaureren. De 38 werd in 1997 ter beschikking gesteld aan de Afvalverbranding Regio Nijmegen (ARN) te Weurt. Deze werkgroep wilde graag een stoommachine restaureren en werkte hard aan de 38. De ketel van de stoomkraan werd niet vervangen maar geheel gerestaureerd. Naast de ketel werkten men aan vele andere onderdelen en maakte ze grote stappen met de restauratie. De werkgroep hield helaas in 2001 op te bestaan en de 38 werd twee jaar later weer overgebracht naar de SGB in Goes. In Goes werd niet meer verder gewerkt aan de 38. De stoomkraan lag in onderdelen te wachten op wat zou komen. De Museustoomtram Hoorn - Medemblik besloot in 2015 haar 39 af te stoten, doordat stoomtrambedrijven vroeger nooit zo'n grote stoomkraan als de 39 in gebruik hadden. De 39 werd op 16 en 17 april 2015 in drie delen overgebracht naar de Stoomtrein Goes - Borsele. Hiermee waren beide zusterkranen weer terug bij elkaar. Met de komst van de 39 besloot de SGB om de 38 af te voeren naar de sloper. Wesley Sekewael reisde vanuit zijn woonplaats wekelijks met de trein langs het terrein van de SGB naar Delft, waar hij werktuigbouwkunde studeerde. Hij vond het altijd eeuwig zonde dat men niks met de 38 deed. Op een dag zag hij vanuit de trein dat de onderdelen van de 38 weg waren, ze bleken te zijn afgevoerd naar de sloper. Wesley startte snel zelf een zoektocht naar de sloper waar de stoomkraan naar toe was gebracht. Twintig minuten voordat de onderdelen van de 38 gesloopt zouden worden, wist hij de sloop te voorkomen. Alle onderdelen die bij metaalhandelaar Van Son lagen, werden op kosten van Van Son naar Vlissingen gebracht. Samen met Arjan van Gelder richtten zij binnen de Stichting Stadsherstel Vlissingen de Werkgroep Stoomkraan Schelde 38 op. Op 24 oktober 2015 kwamen de laatste onderdelen van de 38 aan in Vlissingen, waarmee de reddingsactie succesvol was. De onderdelen werden opgeslagen in de oude Machinefabriek. Na inspectie van de 38 bleken onderdelen te missen of dermate te zijn aangetast dat deze vervangen moesten worden. De Werkgroep Stoomkraan Schelde 38 zette zich in voor een gehele restauratie van de 38, zodat deze weer terugkeert in werkende staat. Voor de restauratie werd de Stichting Stoomhijskraan Schelde 38 (afgekort SSS38) opgericht. De 38 werd in Vlissingen door een tiental vrijwilligers geheel gerestaureerd en geschilderd in de gele kleur waarmee hij net na de oorlog werd afgeleverd. De stoomkraan werd bij het Museum Scheldewerf geplaatst. De dienstvaardige stoomkraan werd op 15 oktober 2021 trots gepresenteerd. De Schelde stoomkranen 38 en 39 hebben beide vanwege hun cultuurhistorische waarde de B-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Railerfgoed. |
|||||||||||