RSTM 2
Info over de locomotief:

In de jaren '30 van de 19e eeuw werden de eerste spoorlijnen in Amerika aangelegd. Voor de tramlijnen die langs de wegen liepen, werden speciale vierkante tramlocomotieven ontwikkeld. De tramlocomotieven hadden een vierkante vorm; zo leken ze meer op de rijtuigen die ze trokken. Het idee was dat paarden minder zouden schrikken van de voorbijrijdende trams als de locomotieven dezelfde vorm kregen als de rijtuigen. De wielen werden afgeschermd om in geval van een ongeluk zoveel mogelijk letsel en schade te voorkomen. In Amerika noemde men deze locomotieven 'steam dummy'. Toen in Nederland de eerste spoorlijnen werden aangelegd, bleek al snel dat het financieel niet haalbaar was om overal in Nederland spoorlijnen voor treinen aan te leggen. In 1878 werd de Wet op de Locaalspoorwegen aangenomen. Met deze wet hoefden spoorlijnen waar met licht materieel slechts 15 km/u werd gereden zich niet aan de strengere regels van de Spoorwegwet uit 1875 te houden. Door deze versoepeling konden goedkopere spoorlijnen in bijvoorbeeld de berm van wegen worden aangelegd. Met deze versoepeling werd het financieel mogelijk om het rustige platteland met de steden en grotere knooppunten te verbinden. Een jaar nadat de wet voor de lokaalspoorwegen werd aangenomen, reed de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij (NRS) op 1 juli 1879 de eerste stoomtram in Nederland op de vijf kilometer lange spoorlijn tussen Den Haag en Scheveningen. Voor de tramlijnen die langs de wegen en door de straten reden, werd de vierkante vorm van tramlocomotieven vanuit Amerika overgenomen. In 1880 werd de 'Wet openbare middelen van vervoer 1880' aangenomen, waardoor openbaar vervoer zonder voorafgaande vergunning mocht rijden. De stoomtrams waren wel gebonden aan de regels van de verschillende gemeentes en wegbeheerders. Dit bleek een oerwoud aan verschillende regels te creëren, waardoor de overheid in 1900 de nieuwe Locaalspoor- en Tramwegwet aannam. Hiermee werden de regels voor trambedrijven landelijk vastgelegd. De snelheid van lokaal- en tramspoor werd vastgesteld op 15 km/u. In 1917 werd deze wet gewijzigd, de snelheid van de tramwegen werd verhoogd naar 45 km/u en de snelheid op lokaalspoor werd verhoogd naar 60 km/u.

Met de versoepelde regels voor het lichte trammaterieel werden in hoog tempo nieuwe trambedrijven opgericht. Eind 1882 waren er al achttien bedrijven die stoomtrams exploiteerden. In 1915 werden er meer goederen per tram vervoerd dan over de weg. Op het hoogtepunt in 1922 lag er in Nederland 2506 kilometer tramlijn, waar 47 bedrijven met 586 locomotieven opreden. De grootste fabrikant van Nederlandsche vierkante tramlocomotieven was de Machinefabriek Breda v/h Backer & Rueb. Van de in totaal ongeveer 500 vierkante tramlocomotieven die in Nederland hebben gereden, leverde de Machinefabriek Breda tussen 1883 en 1912 meer dan 200 locomotieven. De kenmerkende vierkante tramlocomotieven van de Machinefabriek Breda kregen de bijnaam 'Backertjes'. In de praktijk schrokken de paarden niet minder door de vierkante vorm van de tramlocomotieven, doordat er veel geluid en stoom uit de machines kwam. De vierkante trams, die dicht langs de steeds drukker wordende wegen liepen, waren berucht door hun vele dodelijke ongelukken. Hierdoor kregen ze de lugubere bijnaam 'Moordenaar'. De bijnaam werd in grote delen van Nederland gebruikt, maar er waren ook enkele varianten van. Zo heette de tram van de Gooische Stoomtram de 'Gooische moordenaar' en de tram die van Den Bosch naar Helmond reed kreeg de bijnaam 'Goede moordenaar'. In Noord-Brabant kregen de trams die bijnaam, omdat ze naast hun vele dodelijke ongelukken toch belangrijk waren voor de omgeving. Later werden tramlijnen steeds vaker als vrije baan gebouwd in plaats van tussen het wegverkeer. Hiermee werd het vierkante model van de tramlocomotieven losgelaten. Er zijn drie vierkante stoomtramlocomotieven met een spoorbreedte van 1435 mm in Nederland bewaard. De RSTM 2 uit 1881 van het Spoorwegmuseum, de HTM 8 uit 1904 (het enige bewaarde Backertje voor normaalspoor) en de GS 18 uit 1921 zijn alle drie te zien bij de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik.

Voor haar eerste (en tevens enige) tramlijn bestelde de Rijnlandsche Stoomtramweg-Maatschappij een serie van vijf vierkante tramlocomotieven bij Messrs. Merryweather & Sons, in Greenwich bij Londen. In die tijd was het gebruikelijk dat stoomtreinen werden gebouwd in Engeland. Daar zijn de machines immers uitgevonden en hadden ze de kennis om ze te bouwen. De RSTM 2 werd in 1881 geleverd. Kenmerkend voor de eerste stoomtrams in ons land is het lichte gewicht. De RTSM 2 heeft een leeg gewicht van 6,5 ton en een dienstvaardig gewicht van slechts 8,7 ton. De RSTM zette haar vijf trams vanaf 1881 in op het traject tussen Katwijk aan Zee en Rijnsburg. Dit was maar twee jaar nadat soortgelijke tramlocomotieven, ook gebouwd door Merryweather, op de eerste stoomtramverbinding in ons land (tussen Den Haag en Scheveningen) gingen rijden. Nadat de trams twee jaar dienst deden bij de RSTM, nam de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij (HSM) de exploitatie van de spoorlijn over van de RSTM. De RSTM 2 kreeg bij de HSM het nummer 216. De HSM bouwde de tramlijn door naar Oegstgeest en Leiden. In 1909 nam de Noord-Zuid-Hollandsche Tramweg-Maatschappij het vervoer op de tramlijn over van de HSM. De lijn Katwijk - Leiden werd in 1911 geëlektrificeerd. De HSM 216 werd toen verplaatst naar de spoorlijn Haarlem - Heemstede. Tot in 1932 was de locomotief, inmiddels omgenummerd naar 23 en daarna A15, in dienst van de NZHTM.

 
 
 
 
 
 
   

Nadat de locomotief in 1932 buitendienst was gesteld, redde de Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Spoor- en tramwegwezen (NVBS) de oude RSTM 2 en nam hem een jaar later over. Tussen 1933 en 1965 werd de locomotief opgesteld in Boxtel, Roosendaal, Maastricht, Almelo en Arnhem. In Roosendaal raakte de locomotief tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1943 zwaar beschadigd door een bombardement. Het toenmalige bestuur van de NVBS vond het niet passend dat de NVBS zelf materieel ging beheren. Hierom werd besloten de locomotief te schenken aan het Spoorwegmuseum. In 1965 en 1966 werd de tramlocomotief in de NS-werkplaats in Onnen weer gerestaureerd en teruggebracht naar zijn originele uiterlijk, de RSTM 2. In 1966 werd hij naar het Spoorwegmuseum in Utrecht gebracht en officieel opgenomen in de collectie van het museum. Tijdens de grote verbouwing van het Spoorwegmuseum werd de RSTM 2 vanwege ruimtegebruik tussen 2003 en 2005 tijdelijk tentoongesteld bij de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik. Na de verbouwing keerde de tram weer terug naar Utrecht. In 2017 is de RSTM 2 in permanente bruikleen gegeven aan de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik. De RSTM 2 staat in Hoorn met de goederenwagon NZH C 106 (uit 1882) tentoongesteld als onderdeel van de presentatie over de geschiedenis van de stoomtrams in Nederland. Later zal de WSM 23 ook aan deze presentatie worden toegevoegd. De Museumstoomtram Hoorn - Medemblik zal de RSTM 2 niet in rijvaardige staat herstellen, omdat de techniek van deze tramlocomotief erg ingewikkeld is en dit te veel geld zou kosten.

De RSTM 2 heeft vanwege haar cultuurhistorische waarde de hoogste A-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Railerfgoed. De RSTM 2 is de oudste bewaarde tramlocomotief in Nederland en tevens een van de oudste bewaarde ter wereld. De tram is een van de allereerste typen stoomtramlocomotieven die in Nederland dienst hebben gedaan.

 
De RSTM 2 en de NZH C 106 staan voor het Bello Atelier. Bello Festival 2025, 4 juli 2025. © TreinenInNederland.nl
 
 
 
 
 
 
 
De RSTM 2 staat in de werkplaats in Hoorn. Bello Festival (by Night) van de SHM,
21 oktober 2023. © TreinenInNederland.nl