Rijtuig NCS B119 (uit 1904)
Info over het rijtuig:

Tussen 1899 en 1911 werden 17 rijtuigen in de werkplaats van de Nederlandsche Centraal-Spoorweg-Maatschappij (NCS) te Utrecht gebouwd. De tweede klasse rijtuigen boden 56 zitplaatsen en kregen de nummers B111 t/m B127. De buitenwanden van de rijtuigen zijn met teakhout betimmerd. De tweepersoonsbanken zijn voorzien van erg luxe zitkussens. De zitkussens waren voorzien van twee kanten, in de zomer lag de koeler aanvoelende leren kant boven en in de winter de pluche beklede kant. De koperen lampen, bagagerekken en asbakken zijn fraai gevormd. De reden dat de luxe rijtuigen werden aangeduid met tweede klasse is omdat op lokaalspoorlijnen rond 1900 door de wet geen eerste klasse rijtuigen mochten rijden. De rijtuigen waren aan beide kanten voorzien van opvallende open balkons.

De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM) en de Staatsspoorwegen (SS) waren bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918) door eerdere fusies en het overnemen van de exploitatie van andere spoorbedrijven de grootste spoorvervoerders in Nederland. De bedrijven concurreerden hevig met elkaar, maar vanwege de oorlogsdreiging werden beide spoorbedrijven tijdens de oorlog onder militair gezag geplaatst. Vanwege de tekorten door de oorlog richten de HSM en SS per 1 januari 1917 een nieuw samenwerkingsverband op: de Nederlandsche Spoorwegen (NS). Onder het nieuwe samenwerkingsverband werkten de bedrijven nog beter samen. In 1921 werd al het spoorwegmaterieel omgenummerd naar nieuwe nummerschema's van de NS. Vanaf eind jaren '20 begon NS met het invoeren van haar eigen huisstijl op het materieel om zo de verschillende huisstijlen te vervangen. Er werd gekozen om alle treinen donkergroen te schilderen. NS koos voor een donkere kleur, zodat de treinen minder vies werden. Na de oorlog kregen de treinen en trams hevige concurrentie van bussen, personenauto's, fietsen en vrachtwagens. Andere kleinere, nog bestaande spoorbedrijven lieten vanwege de verliezen hun exploitatie overnemen door de NS. Per 1 januari 1938 werden alle vervoerders waarvan NS de exploitatie verzorgde geheel gefuseerd en was NS nog het enige spoorbedrijf dat op het hoofdspoor reed. Op de tram- en lokaallijnen reden nog wel andere bedrijven. Vanaf 1919 exploiteerde de NCS haar diensten verder onder de Staatsspoorwegen. Op 15 november 1920 werd NCS-rijtuig B127 totaal vernietigd bij een aanrijding. De overige zestien rijtuigen kregen de nummers B1806 t/m B1821. Het rijtuig B119 kreeg bij de NS in 1921 het nummer B1814.

Als laatste rijtuig van de serie werd in 1952 de NS B1814 terzijde gesteld. Dit rijtuig werd opgenomen in de collectie van het Spoorwegmuseum en door de NS-hoofdwerkplaats in Haarlem teruggebouwd naar de NCS  B119. Sinds 1977 is de NCS B119 in het Spoorwegmuseum te zien. De Museum Buurtspoorweg heeft een rijtuig van hetzelfde type in haar collectie, de B118.

Van de Nederlandsche Centraal Spoorweg Maatschappij zijn vijf rijtuigen bewaard; de B101, B118, B119, BC6 en de BC104. De B101, B118 en de BC104 behoren tot de collectie van de Museum Buurtspoorweg. Rijtuig BC6 rijdt bij de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik en rijtuig B119 staat in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Van de NCS zijn helaas geen locomotieven bewaard gebleven. Wel heeft de MBS haar Belgische stoomlocomotief nummer 6 'Magda' voorzien van de gele huisstijl van de NCS.

De NCS B119 heeft vanwege haar cultuurhistorische waarde de hoogste A-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Railerfgoed.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
De NCS B119 in het Spoorwegmuseum tijdens het Winter Station 2024. 22 december 2024. © TreinenInNederland.nl