NCS BC6 (gebouwd in 1915)
Info over het rijtuig:

In 1908 opende de Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij (NCS) de stoomtramlijn Nunspeet - Elburg - Kamperstraatweg - Hattem. De tramlijn kreeg al snel de bijnaam 'Zuiderzeestoomtram' vanwege de ligging van het traject. Voor het traject bestelde de NCS vier rijtuigen bij fabrikant De Groot. De rijtuigen kregen de nummers BC1 t/m BC4. De rijtuigen leken sterk op de rijtuigen 22 - 25 van de Gooische Stoomtram. Van deze serie rijtuigen is de AB22 bewaard bij de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik. De NCS opende op 6 oktober 1914 de zijtak van de Zuiderzeestoomtram van Kamperstraatweg (Wezep) naar De Zande. De nieuwe zijtak verbond de spoorlijnen Hattemerbroek - Nunspeet en Hattem - Kampen Zuid met elkaar. Voor de nieuwe zijtak plaatste de NCS een kleine bestelling van twee rijtuigen en twee post-bagagewagens bij Allan in Rotterdam. De rijtuigen kregen de nummers BC5 en BC6, en de post-bagagewagens kregen de nummers LD5 en LD6. Van deze order zijn rijtuig BC6 en post-bagagewagen LD5 bewaard gebleven bij de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik. De BC6 werd in 1915 geleverd. De BC5 en BC6 hadden 12 tweede klasse zitplaatsen en 26 derde klasse zitplaatsen. De rijtuigen hadden een Amerikaans uiterlijk met ronde boogramen, de Jugendstil-stijl details en de open balkons. Tussen beide klassen zat een dichte houten muur, want de reizigers van de tweede klasse wilde beslists niet het volk dat in de derde klasse zat zien. De Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij (NRS) had in 1885 een meerderheid van de aandelen van de Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij gekocht. Beide bedrijven fuseerden niet, maar de NRS kreeg de volledige controle over de NCS. In 1890 nam de Nederlandse Staat de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij, en daarmee ook de Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij, over.

De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM) en de Staatsspoorwegen (SS) waren bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918) door eerdere fusies en het overnemen van de exploitatie van andere spoorbedrijven de grootste spoorvervoerders in Nederland. De bedrijven concurreerden hevig met elkaar, maar vanwege de oorlogsdreiging werden beide spoorbedrijven tijdens de oorlog onder militair gezag geplaatst. Vanwege de tekorten door de oorlog richtten de HSM en SS per 1 januari 1917 een nieuw belangengemeenschap op: de Nederlandsche Spoorwegen (NS). Onder het nieuwe samenwerkingsverband werkten de bedrijven nog beter samen. In 1921 werd al het spoorwegmaterieel omgenummerd naar nieuwe nummerschema's van de NS. Vanaf eind jaren '20 begon NS met het invoeren van haar eigen huisstijl op het materieel om zo de verschillende huisstijlen te vervangen. Er werd gekozen om alle treinen donkergroen te schilderen. NS koos voor een donkere kleur, zodat de treinen minder vies werden. Na de oorlog kregen de treinen en trams hevige concurrentie van bussen, personenauto's, fietsen en vrachtwagens. Andere kleinere, nog bestaande spoorbedrijven lieten vanwege de verliezen hun exploitatie overnemen door de NS. Na de belangengemeenschap werd de Nederlandsche Spoorwegen op 2 augustus 1937 officieel als bedrijf opgericht. Alle vervoerders waarvan NS de exploitatie verzorgde werden op 1 januari 1938 geheel gefuseerd. NS was nog het enige spoorbedrijf dat op het hoofdspoor reed. Op de tram- en lokaallijnen reden nog wel andere bedrijven.

In 1919 nam de SS de exploitatie van de Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij en de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij over. De materieelparken van de NCS en NRS werden verdeeld tussen zowel de Staatsspoorwegen als de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij. Het overgenomen materieel kreeg in 1921 nieuwe NS-nummers. De NCS BC6 werd in 1921 vernummerd naar de NS BC216. De Zuiderzeestoomtram sloot op 1 september 1931. Een deel van het materieelpark dat op de Zuiderzeestoomtram reed, waaronder de NS BC216 en de NCS LD5 (inmiddels vernummerd naar de NS PDt 205), werd overgebracht naar de tramlijn Kwadijk - Edam - Volendam van NS. In 1932 werd de tramlijn ingekort tot Edam en al op 15 mei 1933 werd het reizigersvervoer helemaal opgeheven. De PDt 205werd verkocht aan een sloper, maar kreeg uiteindelijk een tweede leven als schuur. Zes van de negen rijtuigen gingen over naar de Gooische Tramweg Maatschappij (GoTM). Hier werd de NS BC216 vernummerd naar de GoTM BC21. Vanwege het inkrimpen van de tramlijnen kwamen de rijtuigen in 1939 weer terug bij de NS. De NS gaf ze door aan de Noord-Zuid Hollandsche Tramweg Maatschappij (NZHTM). Vanaf 1940 werden de zes rijtuigen achter elektrische trams als extra rijtuigen gehangen. De derde klasse werden uit de rijtuigen verwijderd, de BC21 werd omgenummerd naar de B26. Alle rijtuigen werden ook voorzien van gesloten balkons, de B26 behield als enige open balkons. In alle rijtuigen werden de banken die langs de ramen stonden vervangen door banken die dwars in het rijtuig stonden.

   

De Nederlandse Spoorwegen (en andere spoorbedrijven) hebben altijd, en doen dat nog steeds, vrijwel al hun terzijde gestelde materieel laten slopen waardoor er relatief weinig voor spoorwegmusea bewaard is gebleven. Doordat tijdens de wederopbouw vele rijtuigen en goederenwagons buiten de spoorwegen een tweede leven hebben gevonden, zijn tientallen van deze rijtuigen en goederenwagons bewaard gebleven. Spoorwegmusea hebben een groot aantal van deze rijtuigen en goederenwagons teruggevonden en hebben ze gerestaureerd in de staat waarin zij vroeger bij de spoorwegen dienst hebben gedaan. Hierdoor zijn veel bijzondere rijtuigen en goederenwagons bewaard gebleven die anders waren gesloopt. Vele van deze bewaarde rijtuigen en goederenwagons hebben later vanwege hun historische waarde de hoogste A-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Mobiel Erfgoed. De rijtuigen NS BC423, NS BC425, NS BC455, NS C1040, NS C1137, NS B1605, NS C7032, NTM C205, RTM AB334, SBM AB24 en Z.V.T.M. AB8 werden na de oorlog als woningen gebruikt en zijn hierdoor bewaard gebleven. Het rijtuig ZE AB6 en een eerste klas rijtuig van de ZNSM werden als tuinhuisjes gebruikt. De goederenwagons EDS 85, N.H.T.M. 21, NCS LD5, NS 1524, NS Dt406, NTM E3, NTM E67, NTM E128, NTM E134, NTM F63, O.G. E102, USATC 224340, USATC 220410 en de rijtuigen NCS BC6 en NS AB7216 werden als schuren of opslagruimtes gebruikt en zijn daardoor niet gesloopt. De goederenwagons NS CHD 8681 en NTM conducteurswagen P1, en de SBM D5 werden als stal voor dieren gebruikt. De NTM post-bagagewagen D6 heeft een tweede leven gekregen als kantoor. De rijtuigen NS B1813 en NS C1820 werden respectievelijk als eet- en verblijfsruimte en als slaapzaal gebruikt bij een vakantieverblijf. Het rijtuig NS C6478 werd op een kinderspeelplaats geplaatst en is hiermee bewaard gebleven.

In 1954 werd de B26 buiten dienst gesteld als personenrijtuig en door de NZHTM gebruikt als magazijn. In 1960 werd binnen de Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Spoor- en tramwegwezen (NVBS) een museumcommissie opgericht. Deze commisie wilde zoveel mogelijk trammaterieel redden van de sloop. In hetzelfde jaar bood de Noord-Zuid Hollandsche Tramweg Maatschappij als eerste partij twee rijtuigen aan, waaronder de B26. Vanwege het ontbreken van opstelruimte sloeg de NVBS dit aanbod af. Gelukkig stelde NS ruimte beschikbaar in Hoorn. Dankzij de NS kon de NVBS in 1961 alsnog beide rijtuigen redden. Doordat de activiteiten van de museumcommissie binnen de NVBS toenamen, werd besloten om een aparte stichting op te richten. De Tramweg-Stichting (TS) werd op 15 augustus 1965 opgericht. De NVBS bracht de NZHTM B26 in 1967 onder bij de Tramweg-Stichting. In Hoorn werd het rijtuig tien jaar later teruggebracht naar de staat zoals het rijtuig in het Gooi heeft gereden. Vroeger heeft het rijtuig als BC21 (tweede- en derdeklasserijtuig) gereden bij de GoTM. De Museumstoomtram Hoorn - Medemblik bouwde het rijtuig om naar de AB21 (eerste- en tweedeklasserijtuig). Tot en met 2020 heeft het rijtuig zo dienstgedaan op de lijn van de SHM. Vanaf 2020 heeft de SHM het rijtuig teruggebracht naar zijn originele staat als NCS BC6. Bij de NCS zag het rijtuig er ook veel luxer uit dan bij de GoTM. Op 22 april 2022 reed de BC26 achter de NTM 101 zijn laatste proefrit op de spoorlijn van de Museumstoomtram. Hiermee werd het rijtuig weer in dienst gesteld.

Van de Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij zijn vijf rijtuigen en een post-bagagewagen bewaard gebleven. Dit zijn de rijtuigen B101, B118, B119, BC6 en BC104 en de post-bagagewagen LD5. De B101, B118 en de BC104 behoren tot de collectie van de Museum Buurtspoorweg (MBS). Rijtuig BC6 en de post-bagagewagen LD5 zijn eigendom van de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik. Rijtuig B119 staat in het Spoorwegmuseum in Utrecht tentoongesteld. Van de NCS zijn helaas geen locomotieven bewaard gebleven. Wel heeft de MBS haar Belgische stoomlocomotief nummer 6 'Magda' voorzien van de gele huisstijl van de NCS. De NCS BC6 heeft vanwege haar cultuurhistorische waarde de B-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Mobiel Erfgoed.

 

De SHM 30 rijdt met acht rijtuigen tussen Wognum-Nibbixwoud en Twisk ter hoogte van de Broerdijk als tulpentram.
Op de foto is de NCS BC6 te zien. 19 april 2025.
© TreinenInNederland.nl

 
 
De NCS BC8 staat op station Medemblik. Bello festival 2024 (inclusief locomotievenparade),
6 juli 2024. © TreinenInNederland.nl
 
 
 
NCS BC6 te Medemblik. 6 juli 2024. © TreinenInNederland.nl
 
Het rijtuig BC6 wordt door de NS 6513 samen met andere reizigersrijtuigen en twee goederenwagons langs het
Oosteind in Opperdoes getrokken. Vlak voor de overgang met de N210. Bello Festival (by Night) van de SHM,
27 oktober 2023. © TreinenInNederland.nl
 
De 6513 vertrekt met een reizigerstram, met de BC6, uit Twisk richting Hoorn. 27 oktober 2023. © TreinenInNederland.nl