![]() |
|||||||||||
MBS 43: NCS B118 / NS B1813 (uit 1904)
|
|||||||||||
Info over het rijtuig:
|
|||||||||||
Tussen 1899 en 1911 werden 17 rijtuigen in de werkplaats van de Nederlandsche Centraal-Spoorweg-Maatschappij (NCS) te Utrecht gebouwd. De tweede klasse rijtuigen boden 56 zitplaatsen en kregen de nummers B111 t/m B127. De buitenwanden van de rijtuigen zijn met teakhout betimmerd. De tweepersoonsbanken zijn voorzien van erg luxe zitkussens. De zitkussens waren voorzien van twee kanten, in de zomer lag de koeler aanvoelende leren kant boven en in de winter de pluche beklede kant. De koperen lampen, bagagerekken en asbakken zijn fraai gevormd. De reden dat de luxe rijtuigen werden aangeduid met tweede klasse is omdat op lokaalspoorlijnen rond 1900 door de wet geen eerste klasse rijtuigen mochten rijden. De rijtuigen waren aan beide kanten voorzien van opvallende open balkons. De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM) en de Staatsspoorwegen (SS) waren bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918) door eerdere fusies en het overnemen van de exploitatie van andere spoorbedrijven de grootste spoorvervoerders in Nederland. De bedrijven concurreerden hevig met elkaar, maar vanwege de oorlogsdreiging werden beide spoorbedrijven tijdens de oorlog onder militair gezag geplaatst. Vanwege de tekorten door de oorlog richten de HSM en SS per 1 januari 1917 een nieuw samenwerkingsverband op: de Nederlandsche Spoorwegen (NS). Onder het nieuwe samenwerkingsverband werkten de bedrijven nog beter samen. In 1921 werd al het spoorwegmaterieel omgenummerd naar nieuwe nummerschema's van de NS. Vanaf eind jaren '20 begon NS met het invoeren van haar eigen huisstijl op het materieel om zo de verschillende huisstijlen te vervangen. Er werd gekozen om alle treinen donkergroen te schilderen. NS koos voor een donkere kleur, zodat de treinen minder vies werden. Na de oorlog kregen de treinen en trams hevige concurrentie van bussen, personenauto's, fietsen en vrachtwagens. Andere kleinere, nog bestaande spoorbedrijven lieten vanwege de verliezen hun exploitatie overnemen door de NS. Per 1 januari 1938 werden alle vervoerders waarvan NS de exploitatie verzorgde geheel gefuseerd en was NS nog het enige spoorbedrijf dat op het hoofdspoor reed. Op de tram- en lokaallijnen reden nog wel andere bedrijven. Vanaf 1919 exploiteerde de NCS haar diensten verder onder de Staatsspoorwegen. Op 15 november 1920 werd NCS-rijtuig B127 totaal vernietigd bij een aanrijding. De overige zestien rijtuigen kregen de nummers B1806 t/m B1821. Het rijtuig B118 kreeg bij de NS in 1921 het nummer B1813. De Nederlandse Spoorwegen hebben altijd, en doen dat nu nog steeds, vrijwel al hun terzijde gestelde materieel laten slopen waardoor er relatief weinig voor spoorwegmusea bewaard is gebleven. Doordat tijdens de wederopbouw vele rijtuigen en goederenwagons buiten de spoorwegen een tweede leven hebben gevonden, zijn tientallen van deze rijtuigen en goederenwagons bewaard gebleven. Spoorwegmusea hebben deze treinen teruggevonden en hebben ze kunnen restaureren zoals ze vroeger bij de spoorwegen dienst hebben gedaan. Hierdoor zijn er bijzondere rijtuigen en goederenwagons bewaard gebleven die anders waren gesloopt. Vele van deze bewaarde treinen hebben later vanwege hun historische waarde de hoogste A-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Railerfgoed. De rijtuigen NS BC423, NS BC425, NS BC455, NS C1040, NS C1137, NS B1605, NS C7032, NTM C205, SBM AB24 en Z.V.T.M. AB8 werden na de oorlog als woningen gebruikt en zijn hierdoor bewaard gebleven. Het rijtuig RTM AB334 heeft ook als woning gediend, maar werd daarvoor eerst nog als douanekantoor gebruikt. Het rijtuig ZE AB6 en een eerste klas rijtuig van de ZNSM werden als tuinhuisjes gebruikt. De goederenwagons EDS 85, N.H.T.M. 21, NTM E67, NTM E128, NTM E134, NTM F63, O.G. E102, NS 1524, USATC 224340, USATC 220410 en NS-rijtuig AB7216 werden als schuren of opslagruimtes gebruikt en zijn daardoor niet gesloopt. De goederenwagons NS CHD 8681 en NTM conducteurswagen P1 werden als stal voor dieren gebruikt. De NTM post-bagagewagen D6 heeft een tweede leven gekregen als kantoor. De rijtuigen NS B1813 en NS C1820 werden respectievelijk als eet- en verblijfsruimte en als slaapzaal gebruikt bij een vakantieverblijf. Het rijtuig NS C6478 werd op een kinderspeelplaats neergezet en is hiermee bewaard gebleven. Als laatste rijtuig van de serie werd in 1952 de NS B1814 terzijde gesteld. Dit rijtuig werd opgenomen in de collectie van het Spoorwegmuseum en door de NS-hoofdwerkplaats in Haarlem teruggebouwd naar de NCS B119. Na zijn actieve dienst kwam de NS B1813 terecht bij Prins Hendrik school en internaat in Nieuwegein. Het rijtuig werd hier gebruikt als eet- en verblijfsruimte. De NS C1820 stond daar ook en werd gebruikt als slaapzaal voor de schipperskinderen die er op vakantie waren. In 1989 werden beide rijtuigen opgenomen in de collectie van de Museum Buurtspoorweg. Intern kreeg de B1813 het nummer 43 bij de MBS. Sindsdien staat het rijtuig te wachten op een gehele restauratie. Van de Nederlandsche Centraal Spoorweg Maatschappij zijn vijf rijtuigen bewaard; de B101, B118, B119, BC6 en de BC104. De B101, B118 en de BC104 behoren tot de collectie van de Museum Buurtspoorweg. Rijtuig BC6 rijdt bij de Museumstoomtram Hoorn - Medemblik en rijtuig B119 staat in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Van de NCS zijn helaas geen locomotieven bewaard gebleven. Wel heeft de MBS haar Belgische stoomlocomotief nummer 6 'Magda' voorzien van de gele huisstijl van de NCS. De NCS B118 heeft vanwege haar cultuurhistorische waarde de B-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Railerfgoed. |
|||||||||||
De NCS B118 / NS B1813 in de loods in Boekelo. Najaarsstoomdagen 2025, 18 oktober 2025. © TreinenInNederland.nl |
|||||||||||