![]() |
|||||||||||
Plan D C7838 (gebouwd in 1951)
|
|||||||||||
Info over dit rijtuig: |
|||||||||||
Na de Tweede Wereldoorlog herstelde de Nederlandse economie snel. Hierdoor kon Nederland, deels met het Amerikaanse Marshallplan, in de wederopbouw veel nieuw spoorwegmaterieel aanschaffen. Doordat de treinen en de infrastructuur zeer ernstig waren beschadigd, werd besloten om tijdens het herstel grote stappen te maken in het moderniseren van het spoorwegnet. Grote delen van het spoor werden geëlektrificeerd en het materieelpark werd flink gemoderniseerd met de komst van veel nieuw materieel. Met de enorme modernisering wilde de Nederlandsche Spoorwegen in de jaren '50 stoomlocomotieven en houten rijtuigen buitendienst stellen. Een stoomlocomotief moet uren van tevoren al worden opgestookt voordat de machine kan worden ingezet. Naast kolen en water kost dit ook veel loon voor het personeel; op stoomlocomotieven moet namelijk ook een stoker aanwezig zijn. Houten rijtuigen zijn bij aanrijdingen onveiliger, omdat het hout veel minder sterk is, waardoor de rijtuigen volledig kunnen versplinteren. Tevens wilde NS het, meestal slecht presterende, materieel dat na de oorlog uit legerdumps en elders uit Europa werd gekocht of gehuurd snel vervangen. In de jaren na de oorlog bestelde NS, tot en met 1958, 173 dieselrangeerlocomotieven (de series 200, 450, 500, 600 en 700), 286 diesellocomotieven voor op de hoofdbaan (de series 2200, 2400 en 2600, de 2600'en werden in 1958 al aan de kant gezet), 100 elektrische locomotieven (de series 1100, 1200 en 1300), 311 rijtuigen (de series Plan D, Plan E, Plan K en Plan N), 48 postrijtuigen (de series Pec, Plan C, Plan E en Plan L), twee fietsrijtuigen (Dec-rijtuigen, de rijtuigen werden na één jaar omgebouwd naar Pec-postrijtuigen), 297 elektrische treinstellen (de series Mat'46, Mat'54 en Mat'57), 81 dieseltreinstellen (de series Plan X en TEE DE4) en meer dan tien duizend nieuwe goederenwagons. Door de snelle modernisering van de spoorwegen was Nederland een van de eerste landen in Europa waar stoomlocomotieven en houten rijtuigen niet meer op het hoofdnet werden gebruikt. Als eerste reed NS op 31 augustus 1955 haar laatste stoom- en tevens reizigerstram, getrokken door locomotief NS 7742 'Bello'. Een jaar later nam NS op 16 juni 1956 afscheid van de laatste houten rijtuigen. Op 7 januari 1958 reed NS voor het laatst een goederen- of reizigerstrein met een stoomlocomotief. De NS 3737 reed zijn laatste rit naar het Spoorwegmuseum in Utrecht. De NS 6305 en 6317 bleven als enige twee stoomlocomotieven langer in dienst bij NS en werden gebruikt als walslocomotieven, voor het inwalsen van nieuw spoor. De 6317 werd in 1959 opgenomen in de collectie van het Spoorwegmuseum. De 6305 bleef zelfs tot en met januari 1962 in dienst, hoewel de locomotief de laatste jaren niet meer onder stoom werd gebracht. Hiermee was de locomotief de laatste stoomlocomotief van de Nederlandsche Spoorwegen. Op de grensbaanvakken met Duitsland waren echter tot in de jaren '70 nog Duitse stoomlocomotieven te zien. Bij Nederlandse industrieën rangeerden stoomlocomotieven nog veel langer door. In 1975 werden de LV 13 en LV 14 (de oude NS 8811 en 8826) als laatste stoomlocomotieven in commerciële dienst in Nederland terzijde gesteld. Tijdens de wederopbouw bestelde NS tussen 1948 en 1950 honderd 95 elektrische locomotieven, zeventig rijtuigen en tien post-rijtuigen. NS wilde voor al haar nieuwe elektrische locomotieven en rijtuigen een nieuwe kleur. Deze kleur werd gekozen toen NS-directeur F.Q. den Hollander en zijn vrouw, mevrouw Den Hollander, in 1949 de Alsthom-fabriek bezochten, waar op dat moment de serie 1100 werd gebouwd. De Franse ontwerper Paul Arzens liet een aantal kleuren zien die het nieuwe materieel zou kunnen krijgen. Mevrouw Den Hollander zou hebben gekozen voor turquoise; ze wilde vrolijke kleuren en de kleur paste bij haar Wedgwood-servies. De nieuwgebouwde locomotieven van de series 1100, 1200 en 1300, de Plan C-postrijtuigen en de Plan D-rijtuigen kregen de nieuwe frisse huisstijl. Daarnaast kregen enkele vooroorlogse Stalen D-bagagerijtuigen en postrijtuigen uit de serie Pd 7011 - 7021 de turquoise kleur. De locomotieven en rijtuigen werden geheel turquoise geschilderd. Het materieel kreeg over het midden een horizontale donkerblauwe band en de draaistellen werden donkergrijs geschilderd. De locomotieven kregen rode bufferbalken en turquoise buffers. Het dak en de schortplaten van de rijtuigen werden lichtgrijs geschilderd. De buffers, de opstaptreden en de vouwbalgramen van de rijtuigen werden donkerblauw geschilderd. Aan de onderkant van de rijtuigbak kregen de rijtuigen een tweede donkerblauwe horizontale streep. Het turquoise materieel werd ingezet voor de nationale en internationale sneltreinen. De locomotieven werden daarnaast ook ingezet in de goederendienst. Al snel bleek de lichte turquoise kleur erg gevoelig voor viezigheid en bleek de lichte kleur niet bestand tegen de wasmiddelen die nodig waren om het materieel schoon te houden. Het lichte turquoise werd door de viezigheid die afkomstig was van de stoom van de nog rijdende stoomlocomotieven en door het koolstof dat van de stroomafnemers kwam, snel vies. Om remblokstof van de ramen te verwijderen, was een wasmiddel nodig waartegen de lichte kleur niet bestand was. Hierdoor verkleurde het turquoise snel. In 1952 en 1953 werden de 1215 t/m 1225 niet meer in het turquoise geleverd, maar werden de locomotieven bruin geschilderd. In 1954 werd besloten om het turquoise te vervangen door het donkere Berlijns blauw. De bruine 1200'en en de olijfgroene 1000'en en Stalen D-bagagerijtuigen werden ook Berlijns blauw geschilderd. |
|||||||||||
De Nederlandsche Spoorwegen plaatsten in 1950 bij de fabrikanten Beijnes en Werkspoor een bestelling voor zeventig internationale rijtuigen. Doordat NS het materieel snel geleverd wilde hebben, werd ervoor gekozen om de gestroomlijnde Bolkoprijtuigen uit de jaren '30 als basis te gebruiken. Van deze serie is de ABC7301, tevens het eerste gestroomlijnde rijtuig van NS, bewaard gebleven bij de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij. De serie Plan D-rijtuigen bestond uit twintig eerste- en tweedeklasrijtuigen (aanduiding AB), veertig derdeklasrijtuigen (aanduiding C) en tien rijtuigen met een bagage- en restauratieafdeling (aanduiding RD). Bij deze serie rijtuigen is het voor het eerst dat NS rijtuigen met een restauratievoorziening bestelde. Eerder huurde NS voor haar internationale treindiensten restauratierijtuigen van Mitropa of Wagons-Lits. NS koos ervoor om rijtuigen met een bagage- en restauratieafdeling te bestellen in plaats van aparte bagagewagens en restauratierijtuigen. Aparte bagagewagens en restauratierijtuigen zouden te veel capaciteit hebben. In de Plan D-rijtuigen werden een aantal nieuwe technieken toegepast, zoals nieuwe verlichting. In het rijtuig werd gebruikgemaakt van TL-lampen. De sluitseinen van de rijtuigen waren tevens elektrisch verlicht en de treeplanken werden ook verlicht zodra de deuren werden geopend. De koersborden van de rijtuigen werden ook verlicht, zodat deze in het donker leesbaar waren. De rijtuigen waren geschikt voor een maximumsnelheid van 140 km/u. De Plan D-rijtuigen hadden toestemming om in een groot deel van Europa dienst te kunnen doen. De nieuwe turquoise rijtuigen werden in 1950 en 1951 gebouwd. De Plan D-rijtuigen AB7709 en Plan D RD7659 van het Spoorwegmuseum zijn beide prachtig gerestaureerd in hun afleveringsstaat. De bagage- en restauratierijtuigen beschikten over een bar en een keuken. Het rijtuig bood plaats aan vijftien reizigers. Daarnaast beschikten de RD-rijtuigen over een conducteursruimte, een nooit gebruikte telefooncel en een ruimte voor een informatrice, die eveneens nooit is gebruikt. De AB-rijtuigen beschikten over twaalf zitplaatsen in de eerste klasse en 36 zitplaatsen in de tweede klasse. De derdeklasrijtuigen hadden 72 zitplaatsen. De eerste klasse had rode bekleding, de tweede klasse had grijze bekleding, de derde klasse had bruine bekleding en het restauratiegedeelte had turquoise bekleding. In 1954 werd de capaciteit van de restauratieruimtes vergroot van vijftien naar 23 zitplaatsen. Hiervoor werden de bar en de ruimte voor een informatrice opgeofferd. In hetzelfde jaar werd begonnen met het vervangen van de turquoise huisstijl door het donkere Berlijns blauw. De Plan D-rijtuigen werden binnen Nederland ingezet voor de lange sneltreindiensten vanuit de Randstad naar de uithoeken van het land. In de buitenlandse diensten reden de rijtuigen naar Denemarken, Frankrijk, Luxemburg, Oostenrijk en Zwitserland. Halverwege de jaren '50 bestelde NS nieuwe rijtuigen van de types Plan E en Plan L. De series bestonden uit 23 postrijtuigen, 46 tweedeklasrijtuigen, 114 derdeklasrijtuigen en 26 derdeklasrestauratierijtuigen. De in totaal 209 rijtuigen werden in de binnenlandse sneltreindiensten ingezet. Hierdoor werden de Plan D's vrijwel geheel verdreven naar de internationale diensten. In 1956 verviel in Nederland de derde klas. De Plan D-eersteklas- en tweedeklasrijtuigen werden omgebouwd tot enkel eersteklasrijtuigen (aanduiding A). De derdeklasrijtuigen werden tweedeklasrijtuigen (aanduiding B). In de jaren '60 werden acht eersteklasrijtuigen omgebouwd tot tweedeklasrijtuigen. Tussen 1974 en 1978 stelde NS de gehele serie Plan D-rijtuigen, op acht rijtuigen voor de Beneluxdienst na, buiten dienst. Op de internationale diensten werden de rijtuigen vervangen door rijtuigen van buitenlandse nationale spoorwegmaatschappijen. Eind jaren '60 waren de reizigersaantallen van de Beneluxdienst tussen Amsterdam en Brussel zo toegenomen dat de twaalf tweedelige Mat'57-treinstellen niet meer genoeg waren. De Nederlandse Spoorwegen en NMBS besloten om het materieelpark dat op de Beneluxdienst reed tussen Amsterdam en Brussel uit te breiden. Om de twaalf tweedelige Mat'57, waarvan de NMBS 220.902 bewaard is, te ondersteunen werden trek-duwstammen samengesteld met Belgisch en Nederlands materieel. De NMBS bouwde in 1974 acht locomotieven van de serie HLE 25 om, om ook in Nederland dienst te kunnen doen. Deze omgebouwde locomotieven kregen de nummers 2551 t/m 2558 en werden aangeduid als de HLE 25.5. NS liet in 1974 acht Plan D-rijtuigen die een bagage- en restauratieafdeling hadden (aanduiding RD) ombouwen tot stuurstandrijtuigen (aanduiding WRDk) en liet twee Plan L-postrijtuigen gereedmaken voor de Beneluxdienst. Van de omgebouwde Plan D-rijtuigen is stuurstandrijtuig WRDs 87-38 107 bewaard. Er werden door de NS en NMBS acht stammen samengesteld: bestaande uit een Plan D-stuurstandrijtuig, daartussen vijf rijtuigen (bestaande uit Belgische I4-rijtuigen en Nederlandse Plan W-rijtuigen), bij een enkele stam een Plan L-postrijtuig en een locomotief van de serie HLE 25.5. De nieuwe acht stammen werden vanaf 1974 naast de twaalf Mat'57-treinstellen ingezet op de Beneluxverbinding. Eind jaren '70 ging de Nederlandse Spoorwegen op zoek naar een nieuw type intercityrijtuigen om de oudere types rijtuigen te vervangen. Uiteindelijk werd besloten om zelf rijtuigen te ontwikkelen die gebaseerd zijn op de middenbakken van de nieuwe ICM-treinstellen. In de jaren '80 bouwde fabrikant Talbot in Aken (D) 317 ICR-rijtuigen (ICR staat voor InterCity Rijtuig). Van de 317 rijtuigen werden 59 rijtuigen speciaal gebouwd voor de Beneluxdienst. Van de 59 rijtuigen werden elf stuurstandrijtuigen geleverd. Voor het nieuwe materieel op de Beneluxdienst liet de NMBS twaalf locomotieven bouwen van de serie HLE 11. De locomotieven kregen de nummers 1181 t/m 1192, waarvan de 1187 bewaard is. De rijtuigen en de locomotieven werden voorzien van de gele NS-kleur en NMBS-bordeauxrood. Al snel werden acht ICR-buurland-rijtuigen overgeschilderd in de geel-bordeauxrode Beneluxdienst-huisstijl om op die verbinding dienst te doen. Op de Beneluxdienst naar Brussel vervingen de nieuwe NMBS HLE 11-locomotieven en NS ICR-rijtuigen in 1986 en 1987 de Mat'57-treinstellen en de oudere trek-duwstammen die op de verbinding reden. Nadat de Plan D-stuurstandrijtuigen in 1987 waren vervangen door de nieuwe ICR-rijtuigen, begon Plan D WRDs 87-38 107 aan zijn derde leven bij NS. Het rijtuig werd in 1987 in de hoofdwerkplaats in Tilburg als enige rijtuig van de serie omgebouwd tot meetrijtuig. Van binnen werd het rijtuig geheel verbouwd. Aan de buitenkant werd het rijtuig geheel geel geschilderd en kreeg het grote NS-logo's op de zijkanten. Na de ombouw kreeg het rijtuig het UIC-nummer 80 84 978 1 805-0. Het meetrijtuig werd gebruikt voor de toelatingsritten van de nieuwe diesellocomotieven van de serie 6400 van NS. Daarnaast werden ook andere meetritten met het rijtuig gereden. Het rijtuig was tot in 1995 in gebruik bij NS. Nadat de laatste diesellocomotief, de 6520, was toegelaten, had NS geen werk meer voor het oude Plan D-rijtuig. Het unieke Benelux-stuurstandrijtuig werd opgenomen in de collectie van de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij. Tijdens het jaarlijkse evenement 'Terug naar Toen' in 2011 presenteerde de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij haar ambitieuze plannen om een stam van gestroomlijnde NS-rijtuigen geheel te restaureren. De VSM bezat elf rijtuigen van de typen Bolkop, Plan D en Plan K en kon hiermee een sneltrein van de NS uit de jaren '50 vormen. De stam zou bestaan uit tien rijtuigen: de Bolkop ABC7301, de Plan D-rijtuigen AB7704, AB7705, C7838 en RD7658 / WRDs 87-38 107 en de Plan K-rijtuigen AB7355, AB7359, AB7370, AB7377 en AB7378. De VSM had ook nog Plan K AB7367 in haar collectie; dit rijtuig zou worden geplukt voor onderdelen. De rijtuigen zouden grotendeels in hun afleveringsstaat worden teruggebracht: de ABC7301 zou donkergroen worden, de Plan D-rijtuigen turquoise en de Plan K-rijtuigen Berlijns blauw. De Plan D AB7705 zou als tweede restauratiewagen in dienst worden genomen. De RD7658 / WRDs 87-38 107 (het laatste Benelux-stuurstandrijtuig) zou ook onderdeel worden van de stam. Waarschijnlijk wilde men dit rijtuig behouden als Benelux-stuurstandrijtuig. In dit rijtuigen konden invalide mensen worden vervoerd. Plan K AB7355 zou tevens worden aangepast. Dit rijtuig zou multifunctioneel kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld voor presentaties. Aangezien NS de drie typen rijtuigen heeft laten bouwen voor internationale diensten, wilde de VSM de rijtuigen toegelaten krijgen op het hoofdspoor in Nederland, België, Duitsland, Luxemburg en Polen. De complete stam rijtuigen zou plaats bieden aan 517 reizigers en voorzien zijn van een restauratie. De VSM wilde de stam rijtuigen verhuren aan andere bedrijven om zo extra inkomsten te genereren. Voor de expositie werd in 2011 de Bolkop ABC7301 aan één zijde donkergroen geschilderd. De Plan D AB7705 werd geheel turquoise geschilderd en de Plan K AB7359 werd geheel Berlijns blauw geschilderd. In de Plan D was de expositie over de restauratieplannen van de VSM te zien. Ondanks de ambitieuze plannen is het helaas nooit van de grond gekomen om een Nederlandse stam rijtuigen te restaureren. De VSM voerde enkel kleine werkzaamheden aan de rijtuigen uit. Doordat de rijtuigen altijd in de buitenlucht staan, zijn ze helaas erg verroest. In 2017 liet de VSM de Plan D AB7705 en de Plan K AB7355 en AB7367 slopen. Een jaar later werd de Plan D RD7658 / WRDs 87-38 107 afgestoten aan de Vereniging tot Behoud van Spoormaterieel Haarlem. De NS C7838 heeft vanwege haar cultuurhistorische waarde de B-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Mobiel Erfgoed. |
|||||||||||
De Plan D C7838 staat bij de werkplaats van de VSM in Apeldoorn. © TreinenInNederland.nl |
|||||||||||
Een aantal verroestte rijtuigen staan bij de werkplaats van de VSM in Apeldoorn. Zeer waarschijnlijk betreffen het van links naar rechts de Plan D C 7838, Plan K AB 7370, Plan K AB 7377, Plan D AB 7704 en de Stalen-D D 7618. © TreinenInNederland.nl |
|||||||||||