![]() |
|||||||||||
SS 11076 / NS 3225 (gebouwd in 1879) |
|||||||||||
Info over de goederenwagon: |
|||||||||||
De Staatsspoorwegen (SS) bestelde bij de Duitse fabrikant Gastell in Mainz 25 houten gesloten goederenwagons. De Staatsspoorwegen gebruikten in de 19e eeuw voor al hun goederenwagons vrijwel hetzelfde model. Deze serie goederenwagons behoort tot de tweede deelserie van de standaard gesloten goederenwagons van de SS. Deze serie wagons was langer dan de eerste deelserie van de SS. Die serie werd tussen 1871 en 1876 gebouwd. De tweede deelserie was voorzien van een remhuis. Hiermee kon een remmer de remmen van de goederenwagon waar hij op stond bedienen. De wagons waren ook voorzien van doorgaande treeplanken. Met deze aanpassingen konden de wagons in sneltreinen meerijden voor het vervoer van snelgoederen. Deze serie kreeg de nummers 11057 t/m 11076. De 11076 werd als laatste van de serie in 1879 geleverd. Deze wagons hadden een laadvermogen van 10 ton. In het begin waren treinen niet voorzien van een remsysteem waarmee de gehele trein geremd kon worden. De locomotief kon alleen zijn eigen remmen bedienen. Aangezien dit niet genoeg remkracht was voor een hele trein, waren er verdeeld over de treinen een of meerdere voertuigen aanwezig die wel voorzien waren van remmen en remhuisjes. In de huisjes zaten remmers die hun rijtuig of wagon konden laten remmen. In 1869 werd het Westinghouse-remsysteem uitgevonden. Dit systeem bestaat uit een luchtleiding die door de gehele trein gaat. Ieder voertuig in de trein heeft zijn eigen remmen die door de remleiding aangestuurd kunnen worden. Dit nieuwe remsysteem is veel veiliger dan het oude systeem. Door de Westinghouserem kunnen reizigers aan de noodrem trekken en een snelremming laten uitvoeren. Als een koppeling zou breken, voert de trein ook automatisch een snelremming uit. Na de uitvinding van het Westinghouse-remsysteem werden de treinen zwaarder en konden ze sneller rijden. De stoomlocomotieven van de serie 284 t/m 287, die in 1880 aan de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij (NRS) werden geleverd, waren in Nederland de eerste locomotieven met het Westinghouse-remsysteem. In de vele jaren die volgden, werden alle voertuigen voorzien van deze rem. Voor goederentreinen werd het pas in 1934 verplicht om een doorgaande luchtleiding te hebben. Deze verplichting was al eerder voor reizigerstreinen ingevoerd. De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM) en de Staatsspoorwegen (SS) waren bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918) door eerdere fusies en het overnemen van de exploitatie van andere spoorbedrijven de grootste spoorvervoerders in Nederland. De bedrijven concurreerden hevig met elkaar, maar vanwege de oorlogsdreiging werden beide spoorbedrijven tijdens de oorlog onder militair gezag geplaatst. Vanwege de tekorten door de oorlog richtten de HSM en SS per 1 januari 1917 een nieuw belangengemeenschap op: de Nederlandsche Spoorwegen (NS). Onder het nieuwe samenwerkingsverband werkten de bedrijven nog beter samen. In 1921 werd al het spoorwegmaterieel omgenummerd naar nieuwe nummerschema's van de NS. Vanaf eind jaren '20 begon NS met het invoeren van haar eigen huisstijl op het materieel om zo de verschillende huisstijlen te vervangen. Er werd gekozen om alle treinen donkergroen te schilderen. NS koos voor een donkere kleur, zodat de treinen minder vies werden. Na de oorlog kregen de treinen en trams hevige concurrentie van bussen, personenauto's, fietsen en vrachtwagens. Andere kleinere, nog bestaande spoorbedrijven lieten vanwege de verliezen hun exploitatie overnemen door de NS. Na de belangengemeenschap werd de Nederlandsche Spoorwegen op 2 augustus 1937 officieel als bedrijf opgericht. Alle vervoerders waarvan NS de exploitatie verzorgde werden op 1 januari 1938 geheel gefuseerd. NS was nog het enige spoorbedrijf dat op het hoofdspoor reed. Op de tram- en lokaallijnen reden nog wel andere bedrijven. Vanaf 1912 liet de Staatsspoorwegen veel oude houten goederenwagons moderniseren. De oude houten stijlen werden vervangen door ijzeren stijlen en de wagons kregen sterkere schoren. Met deze aanpassingen kregen de wagons een hogere toegelaten snelheid. Een deel van de oude wagons, waaronder dit bewaarde exemplaar, werd niet gemoderniseerd omdat men de wagons het niet meer waard vond. In 1921 werd al het spoorwegmaterieel omgenummerd naar een nieuw nummerschema van de NS. De SS 11076 kreeg in 1921 het NS-nummer 3225. De Nederlandse Spoorwegen (en andere spoorbedrijven) hebben altijd, en doen dat nog steeds, vrijwel al hun terzijde gestelde materieel laten slopen waardoor er relatief weinig voor spoorwegmusea bewaard is gebleven. Doordat tijdens de wederopbouw vele rijtuigen en goederenwagons buiten de spoorwegen een tweede leven hebben gevonden, zijn tientallen van deze rijtuigen en goederenwagons bewaard gebleven. Spoorwegmusea hebben een groot aantal van deze rijtuigen en goederenwagons teruggevonden en hebben ze gerestaureerd in de staat waarin zij vroeger bij de spoorwegen dienst hebben gedaan. Hierdoor zijn veel bijzondere rijtuigen en goederenwagons bewaard gebleven die anders waren gesloopt. Vele van deze bewaarde rijtuigen en goederenwagons hebben later vanwege hun historische waarde de hoogste A-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Mobiel Erfgoed. De rijtuigen GS AB22, NS BC423, NS BC425, NS BC455, NS C1040, NS C1137, NS B1605, NS C7032, NTM C205, RTM AB334, SBM AB24 en ZVTM AB8 werden na de oorlog als woningen gebruikt en zijn hierdoor bewaard gebleven. In Zuid-Holland staat een rijtuig dat nog steeds dienst doet als woning. Het rijtuig ZE AB6 en een eerste klas rijtuig van de ZNSM werden als tuinhuisjes gebruikt. De goederenwagons EDS 85, N.H.T.M. 21, NCS LD5, NS 1524, NS Dt406, NTM E3, NTM E67, NTM E128, NTM E134, NTM F63, O.G. E102, USATC 224340, USATC 220410, ZVTM D59 en de rijtuigen NCS BC6 en NS AB7216 werden als schuren of opslagruimtes gebruikt en zijn daardoor niet gesloopt. De goederenwagons NS CHD 8681 en NTM P1, en de SBM D5 werden als stal voor dieren gebruikt. De NTM D6 heeft een tweede leven gekregen als kantoor. De rijtuigen NS B1813 en NS C1820 werden respectievelijk als eet- en verblijfsruimte en als slaapzaal gebruikt bij een vakantieverblijf. Het rijtuig NS C6478 werd op een kinderspeelplaats geplaatst en is hiermee bewaard gebleven. |
|||||||||||
Deze wagon werd rond 1934 door NS afgevoerd. NS verkocht de houten goederenwagon en de wagon kreeg een tweede leven als schuur. Hiervoor werden de assen, het remhuis en het trek- en stootwerk van de wagon verwijderd. In 2008 kocht de Stoomtrein Goes - Borsele de unieke goederenwagon. Deze wagon van de Staatsspoorwegen werd aan het begin van de 20e eeuw niet gemoderniseerd. Aan de wagenbak zijn slechts enkele reparaties te zien. Veel originele onderdelen, zoals de handgrepen, sluitseinhouders en deursluitingen, zijn zelfs nog aanwezig. De Stoomtrein Goes-Borsele wil de goederenwagon restaureren zoals deze vroeger dienstdeed. Hiervoor zal onder andere een replica-remhuis worden gebouwd. Deze wagon is een van de weinige bewaarde goederenwagons die een remhuis hebben gehad. Het exacte nummer van deze goederenwagon is momenteel nog onbekend. Voor de administratie heeft de wagon het laatste nummer van de serie wagons waartoe deze goederenwagon behoorde gekregen, de SS 11076 / NS 3225. Bij een toekomstige restauratie hoopt de Stoomtrein Goes-Borsele het oorspronkelijke nummer van de wagon te achterhalen. De SS 11076 / NS 3225 heeft vanwege haar cultuurhistorische waarde de hoogste A-status toegekend gekregen binnen het Nationaal Register Mobiel Erfgoed. |
|||||||||||
De SS 11076 / NS 3225 staat bij de Stoomtrein Goes - Borsele ingepakt.
26 april 2026. © TreinenInNederland.nl |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||